KUNST OP DE WC (12122023)

Enigszins opgelucht lees ik vrijwel gelijk na de vraag “waar zullen we vandaag naartoe gaan?” in de tentoonstellingsagenda van het Museumtijdschrift: OSS (NB) – Museum Jan Cunen: Kunst op de wc. 't Is niet alleen een museum waar ik graag naar toe ga, 't is bovendien het museum waarvoor ik dit jaar heb gestemd voor de Museumprijs én het werd mede dankzij mijn stem zelfs de winnaar ervan. En wie zou er nou niet nieuwsgierig zijn naar kunst op de wc? Laat ik maar toegeven dat zowel in de wc van mijn pied-à-terre in Nederland als in het toilet van mijn huis in Frankrijk, op de ooghoogte van een man die zo lang is als ik ben en die staande plast, een kunstwerkje hangt.... Dus: op naar Oss!!

Het niet al te grote museum is gevestigd in Villa Constance, een stadsvilla die in 1888 in opdracht van Arnold van den Bergh werd gebouwd en naar zijn in dat jaar geboren dochtertje werd vernoemd. Arnold was de zoon van Simon van den Bergh, die een meer dan goed lopende boterfabriek had en daardoor in Oss de boterjood werd genoemd. Zoals zijn oom Daniël, die toentertijd in Oss een wattenfabriek had, er bekend stond als de wattenjood. Boter was in die jaren min of meer “echte” boter, een voorganger van wat nu roomboter heet, hoewel in de tijd dat koelvitrines en koelkasten nog moesten worden uitgevonden de houdbaarheid een belangrijke beperking was voor een bedrijf dat steeds meer afhankelijk werd van de export naar met name Engeland. Simon was niet de enige die een boterfabriek had en naar Engeland exporteerde, Willem Jurgens kocht al veel eerder boter, ham en eieren van de boeren in de omgeving van Oss en ook zijn fabriek groeide door de snel stijgende exportvraag. Daardoor werd de inkoop van boter een belangrijke uitdaging, die werd zelfs vanuit Zuid-Duitsland en Oostenrijk naar Oss geïmporteerd, alwaar de houdbaarheid werd opgekrikt door toevoeging van weet ik niet wat allemaal. Het was Willem's zoon en opvolger Antoon die via zijn handelsrelaties in contact kwam met de scheikundige Hippolyte Mège-Mouriès, de uitvinder en patenthouder van kunstboter oftewel margarine. Die uitvinding was te danken aan Napoleon III die op zoek was geweest naar een vervanger van “echte” boter voor de krijgsmacht en de minderbedeelden en een prijs had uitgeloofd voor degene die daarvoor een oplossing kon bedenken. Antoon Jurgens kocht het patent van de Franse uitvinder en begon in een daarvoor in Oss gebouwde op stoom opererende fabriek met de grootschalige productie van margarine. Het was één van de eerste door stoom aangedreven fabrieken in Nederland en margarine kreeg daardoor de bijnaam stoomboter. Uiteraard volgden anderen, met name Simon van den Bergh, die met kleine variaties van de grondstoffen het patent omzeilden. Die stoomboterfabrieken gingen iets minder dan 100 jaar geleden samen in de Margarine Unie, die op haar beurt in 1930 zou fuseren met hun belangrijkste Britse handelspartner Lever Brothers: 't was de geboorte van Unilever. Die gigantische internationale onderneming produceert geen margarine meer in Oss, maar de fabriek van UNOX staat er nog steeds. Inderdaad, waar de rookworst vandaan komt en de soep in blik die aanvankelijk luie wijvensoep werd genoemd - een beetje huisvrouw bereidde haar soep toch zelf in de keuken? - en, niet te vergeten, de Elstedentochtmutsen. Arnold verhuisde al kort daarna weer naar Rotterdam. Daar liet hij achter de enorme brouwerij van het Oranjeboombier, aan de Nassaukade in de wijk Feijenoord, een margarinefabriek bouwen waar tot een paar jaar geleden onder andere Blue Band en Becel margarine zou worden geproduceerd. Villa Constance verkocht hij aan toen nog concurrent Arnold Jurgens – zoon van Antoon – die het herdoopte tot Villa Johanna waarin hij en zijn gezin tot 1899 zouden blijven wonen. Toen de gemeente Oss het gebouw ruim 20 jaar later kocht, was het ondertussen een pensionaat geweest, had het meerdere eigenaar-bewoners of had het leeggestaan. Nu werd in de villa het stadhuis gevestigd en komt de in 1934 tot stadsarchivaris benoemde Jan Cunen langzaam maar zeker in beeld.

Zijn benoeming kwam niet al te lang nadat even buiten Oss een archeologische vondst was gedaan bij het egaliseren van een terrein voor de aanleg van een woonwagenkamp. Wat werd geëgaliseerd bleek een grafheuvel te zijn, daterend uit ergens tussen de 2.000 en 700 jaar voor onze jaartelling. De vooraanstaande archeoloog Jan Hendrik Holwerda werd ingelicht, maar die vond het tot tweemaal toe niet nodig om langs te komen, waarschijnlijk omdat hij van mening was dat de bronstijd – circa 3.000 – 800 jaar voor Christus - Nederland had overgeslagen. Tot zelfs 30 jaar later noemde hij een paar van de vondsten onherkenbare klompen roest en dat terwijl in één ervan een situla was, een bronzen wijnemmer, waarin het kromgesmede zwaard – het Osse Zwaard - van de vorst die er eeuwen geleden was begraven. Jan Cunen mocht met toestemming van de gemeenteraad in het souterrain een kleine ruimte inrichten met onder andere archeologische vondsten uit de omgeving van Oss, het was het eenvoudige begin van wat nu het Museum Jan Cunen is.

wordt binnenkort vervolgd