|
GEZONKEN - 2 (23062024) Jean-Jacques Dony had met zijn wetenschappelijk onderzoek dan wel bedacht hoe zinkerts niet slechts als een legering met een ander metaal kon worden verwerkt, maar ook zelfstandig, het had hem ook financieel naar de kloten geholpen: hij ging failliet. Toen ik een week of zo geleden in Frankrijk mijn afgetakelde en water lekkende zinken tuingieter de deur uitgooide, ging ik terug in de tijd, naar de achtertuin van de begane grond van het huis waarin mijn grootouders aan de Javastraat 4 in Nijmegen woonden. Als het weer het toeliet, werd daar op maandagochtend de vuile was in een grote zinken wastobbe gedaan, met als hulpmiddelen een zinken wasbord en een wasstamper met een kop van zink. Het warme water dat daarvoor nodig was, werd in een grote van zink gemaakte waterketel op zo'n heerlijk ouderwets gaskooktoestel aan de kook gebracht. Boilers of andere tegenwoordig heel gewone warmwatervoorzieningen bestonden nog niet, het was in het pre-wasmachinetijdperk. Maandag, wasdag, beelden uit mijn kinderjaren. Al met al had Dony ruim 200 jaar geleden toch schatrijk moeten kunnen worden met die uitvinding? Zink, waar ik in Kelmis meer dan ooit aan de alom aanwezigheid ervan in mijn jongste jaren word herinnerd en eigenlijk geen flauw idee heb over hoe en waarom het er ook weer uit verdween. Niet goed opgelet of het als normaal te hebben ervaren dat er opeens zomaar warm water uit de kraan kwam, de was in een wasmachine kon worden gedaan en gedroogd in een wasdroger waardoor al die van of met zink gemaakte nuttige huishoudelijke hulpmiddelen geleidelijk aan uit mijn leven waren verdwenen. Iets dat ik bovendien ook nog eens als heel vanzelfsprekend ervoer: moderne tijden toch? Met mijn ouders kwam ik vanuit Nijmegen, via Arnhem uiteindelijk in de zomer van 1957 in Rotterdam op de zuidoever van de Maas terecht. Op Zuid in de Eilandenbuurt van de wijk Carnisse in de schaduw van de Zuidpleinflat, het destijds met 12 verdiepingen hoogste gebouw in Rotterdam, alwaar we in een vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog opgeleverde woning op de 3e en 4e vloer van een portiekgebouw gingen wonen. Spannend! Het had op de slaapetage zelfs een douchecel, die aanvankelijk als opslaghok werd gebruikt en waar we dus op zaterdagavond onze wekelijkse wasbeurt nog jaren in de teil voor de op kolen gestookte kachel bleven ondergaan. Pas na de aansluiting op de Groningse aardgasbel werd de douchecel in gebruik genomen en kon ik lekker alleen in m'n blootje – ik had twee zussen – mijn lijf wassen en ontdekken met eindeloos stromend warm water. Jeetje, wat was dat toen verschrikkelijk lekker zeg! Omdat Musée Vieille Montagne, het zinkmuseum van Kelmis, pas op het middaguur opent, eerst naar het Drielandenpunt. Wat is dat een verschrikkelijke afknapper. 't Blijk een ongelooflijk banaal pretpark te zijn geworden waarin toevallig die drie grenspaaltjes van Nederland, België en Duitsland staan op wat zo'n beetje het hoogste punt van Nederland is: de bijna 323 meter hoge Vaalserberg. De kinderen van alle zondagochtendouders moeten er op de foto worden gezet, wij verdwijnen nog sneller dan dat we er de auto hebben geparkeerd. De regio waar we zijn is zoals Nederland: niets is ver weg, dus ook Kelmis niet, de Duitse naam van het stadje dat in Wallonië la Calamine heet. Op de TomTom toets ik het adres van het museum in, erop vertrouwend dat we er dan zo'n beetje vanzelf terecht zullen komen. Pech gehad. Na drie of vier keer bij een boerderij weet ik niet waar buiten de bebouwde kom te zijn beland, eerst maar een kop koffie gaan drinken op een terras op het stadsplein van het zonnige Kelmis om daar al dat gedoe te laten bezinken. Hoewel Duits hier de officiële taal is, is het Frans spreken dat mijn voorkeur heeft geen enkel probleem. Zeker niet bij de jongere mensen, die net zoals ik meertalig zijn. Als een echte bevrijdingsbaby – maart 1946 - werd mij door mijn ouders en grootouders als het zo uitkwam, en dat was eigenlijk best vaak, ingeprent dat alles wat Duits was per definitie niet deugde en hoewel ik redelijk Duits spreek, dat nog steeds alleen maar doe als het echt niet anders kan. Als de tweede kop koffie en een broodje worden geserveerd, informeer ik naar het museum: straat uitlopen, rechtsaf. Nou, dat hebben we met de auto dus ook al gedaan. Al verder kletsend, jawel in het Frans, blijk je de auto helemaal niet nodig te hebben, er wordt mij verzekerd dat je er gewoon naartoe kan wandelen: straat naar beneden aflopen, rechtsaf en dan zou het een paar honderd verderop moeten zijn. Hoewel die “paar honderd meter verderop” een behoorlijk stuk langer lijkt te zijn, staan we er zowaar wel bij de entree van het museum. Langs de weg waar dat volgens TomTom absoluut niet zou zijn. wordt vervolgd |