|
GEZONKEN - 3 (17072024) Op de witte zijmuur van het gebouwtje waarin de entree is, staat er nota bene een gekruiste hamer en moker, het internationale symbool van een mijn, met groot ernaast de woorden MUSEUM VIEILLE MONTAGNE. Het levert wat mij betreft het bewijs dat slaafs de TomTom volgen ook nadelen heeft: zo kijk je gewoonweg niet meer zo goed om je heen om een onbekende bestemming te vinden. Maar te voet en zonder GPS is het museum nu dus wel gevonden en dat is het belangrijkste! Het gebouwtje heeft, hoe kan het ook anders, geen rode of zwarte dakpannen maar een dakbedekking van zinkplaten, 't was een kantoortje van de spoorwegen dat dateert uit de tijd dat de zinksmelterij en de mijn nog volop in bedrijf waren. Daarvan is dankzij een buitengewoon grondige sloop echter geen spoor meer te bekennen, zelfs niet op recente luchtfoto's van het gebied die in het museum hangen. Het leunt lekker lui tegen het in 1950 gesloten directiekantoor van de door Jean-François Mosselman in 1837 opgerichtte Société Anonyme des Mines et Fonderies de Zinc de la Vieille Montagne. Mosselman was een succesvolle bankier die in 1813 na het faillissement van Jean-Jacques Dony diens zinkoctrooi en de mijn kocht en die, in tegenstelliing tot de een paar jaar later overleden Dony, over ruim voldoende kapitaal beschikte om de zinkindustrie verder te ontwikkelen. Het directiekantoor dat na de sluiting in 1950 was verkocht, en daarna voor weet ik niet wat allemaal was gebruikt, en het gebouwtje overleefden de sloop van de zinkfabriek en alles wat erbij hoorde. Ze kregen een tweede leven toen werd besloten het kantoor te gaan restaureren om er het museum in te vestigen en het oude stationsgebouwtje een meer dan perfecte optie bleek om de oorspronkelijk structuur van dat afgedankte kantoor zo min mogelijk aan te hoeven tasten. Alleen de muren tussen beide gebouwen hoefden te worden gesloopt om daar dan de ingang, de ontvangstbalie en de museumwinkel in te vestigen. Zo gezegd, zo gedaan. Het museum werd eind 2018 geopend. Geen gratis toegang met de vaderlandse Museumkaart, maar de aardige receptioniste vraagt wel gelijk of we gepensioeneerd zijn, omdat we dan voor de korting voor de iets oudere medemens in aanmerking komen. Ondanks meer dan de helft van mijn leven buiten Nederland te hebben gewoond, ligt in mijn DNA verankerd dat als het om een korting gaat je zoiets, zelfs met tegenzin, zonder verder na te denken gelijk moet toegeven. Er wordt niet eens om een identificatie gevraagd, want dat had ze natuurlijk sowieso al gezien. Na door de weggehakte muren het directiekantoor - het museum dus - te zijn ingelopen, kijk ik, zonder nog maar een enkel museumstuk te hebben gezien, toch meteen al mijn ogen uit bij het zien van de lange museumgang. Links de deuren naar de kleine expositieruimtes, een glad gepolijste natuurstenen vloer en aan beide zijden de wanden die van de vloer tot op een meter of twee met donkere blauwgroene tegeltjes zijn bekleed. Heel wat mooier dan de best saaie bureaucratische voorgevel waarvan de rode bakstenen van de begane grond zijn weggemoffeld achter hetzelfde vuilwitte stucwerk waarmee het spoorwegkantoortje is “opgefleurd.” Die gang herinnert me spontaan aan de lange gang van het lyceum in het Rotterdamse Tuindorp Vreewijk waar ik destijds een totaal mislukte leerling was, met het verschil dat daar aan de rechterkant dus deuren naar de leslokalen waren en hier aan de linkerkant deuren naar de museumzaaltjes. Hoewel ik in het eerste het beste zaaltje, waar de winning en het gebruik van galmei - zinkerts - de boventoon voert en heel erg lang na mijn leerplichtige leeftijd onverwacht toch weer in de schoolbanken terecht kom. Zij die het kunnen weten, leggen in goed Duits en Frans en in matig Nederlands uit dat de Romeinen hier al naar zinkerts zouden hebben gezocht en dat de naam Kelmis afkomstig zou zijn van het woord kalamijn oftewel zinkspaat, daarvan werd zinkpoeder gemaakt dat met koper tot messing werd gelegeerd. In het Frans heet die zinkerts calamine en het in Wallonië gelegen Kelmis dientengevolge heel vanzelfsprekend la Calamine. Nadat Jean-Jacques Dony had bedacht hoe je zink als een zelfstandig metaal kon produceren en verwerken en het niet langer alleen maar een hulpgrondstof was om messing te kunnen maken, had hij in 1806 van Napoleon het recht gekregen om de mijnen rond Altberg – - te exploreren onder de voorwaarde dat er uit de gewonnen erts niets anders dan zink zou worden geproduceerd. En dat hebben we geweten. Als je nu een wandeling door een wat oudere stadswijk maakt, kun je daar nog altijd zinken raamkozijnen, zinken daken, zinken dakversieringen, zinken dakgoten en regenpijpen zien en waar dan ook op rommelmarkten of in kringloopwinkels emmers en tuingieters van zink, soms wastobbes, wasborden en kolenkitten van zink en af en toe de ook al heel lang overbodige melkbussen, inmaakketels en vuilnisbakken van zink. wordt vervolgd |