|
HET FRIETPALEIS (02022003)
´t Is dit weekeinde een jaar geleden
dat ik het eerste "Weekjournaal uit
Buenos Aires" verstuurde. Op verzoek
van de redactie van het blad van de Nederlandse
Vereniging in Rio de Janeiro, schreef ik
toen een impressie over hoe de Nederlandse
gemeenschap in Buenos Aires het huwelijk
van Willem Alexander met Máxima Zorreguieta
vierde. "Adiós Nonino"
heette die aflevering. Net zoals bijna 16
miljoen andere Nederlanders maakte ik die
dag, via het bandoneonspel van Carel Kraayenhof,
kennis met de muziek van Astor Piazzolla.
In tegenstelling tot die andere 16 miljoen
Nederlanders deed ik dat in Buenos Aires,
de stad waar Piazzolla een groot deel van
zijn leven heeft gewoond, gecomponeerd en
gemusiceerd.
Boeken van Afrikaanse schrijvers of boeken
over Afrika of met Afrika als achtergrond,
begonnen mij pas echt te interesseren toen
ik in Afrika woonde. In Gabon las ik "de
Regenvogel" van Jan Brokken, dat ik
een overschrijfboek vond, bijna meer citaten
en voetnoten dan eigen tekst. "De moordenaar
van Ouagadougou" waarin Brokken onder
meer over de bouw van de kopie van de Sint
Pieter midden in het oerwoud van Ivoorkust
schrijft, zat in mijn tas toen ik Abijan
en Yamoussoukro, waar die kathedraal staat,
bezocht. In mijn tas zat toen ook "De
krokodillen van Yamoussoukro" van V.S.
Naipaul. De krokodillen die samen met een
groep militairen het presidentieel paleis
bewaakten, voerde ik kippen als twaalfuurtje.
In Nigeria begon ik Wole Soyinka te lezen
en Chinua Achebe en Buchi Emecheta en Ben
Okri en ontelbaar veel andere Afrikaanse
schrijvers. Nu ik er woonde en rondsreisde,
kwamen de verhalen tot leven en begreep
ik precies wat de hoofdpersoon in "de
Postwissel" van de Senegalese schrijver
Sembène Ousmane overkwam. Voor muziek
gold hetzelfde. Die lekker gillende akoestische
guitaren uit francofoon Afrika klinken nog
steeds te gek. Lágbájá,
mijn grote Nigeriaanse favoriet, klinkt
overzee een heel stuk minder.
In Zuid Amerika moest ik opnieuw beginnen
met andere schrijvers en andere muziek.
Jorge Amado, Pierre Verger, Machado de Assis
en João Ubaldo Ribeiro. Samba, Pacote
en Forró (só alegria! - alleen
maar plezier!) in Brazilië. In Argentinië
ging het verder met de moeilijk leesbare
W.H. Hudson en de vrijwel onleesbare Jorge
Luis Borges. Gelukkig is de muziek een stuk
toegankelijker. De wat eentonige "tropical",
het Argentijnse antwoord op de Forró,
en vooral tango, erg veel tango. Op verlof
in Nederland kocht ik in de ramsj "Le
Grand Tango" een biografie van Astor
Piazzolla. Pas twee weken geleden haalde
ik het te voorschijn, want waar anders kan
je zo'n boek beter lezen en beleven dan
in Buenos Aires?
Als ik lees hoe Piazzolla, nadat hij 1959
in New York het bericht ontvangt dat zijn
vader is overleden, zijn vrouw Dedé
en schoonzus Poupée de kamer uitstuurt
en een oude compositie omwerkt tot "Adiós
Nonino" zet ik de CD met het nummer
op. De versie met het mooie klassieke pianointro
dat er pas een jaar of tien later werd aangebreid.
Het was een "examenopgave" om
te zien of Dante Amicarelli goed genoeg
piano speelde om samen met Piazzolla op
te treden. Hij slaagde overtuigend. Al luisterend
realiseer ik me wat een zielloos arrangement
van het nummer Kraayenhof een jaar geleden
eigenlijk in de Nieuwe Kerk speelde.
Zaterdagmiddag, lunchtijd. Ik zeg tegen
mijn geliefde dat we wat veldwerk moeten
gaan doen. Nooit om een tegenvraag verlegen
wil ze weten "waar naar toe en waarom?"
We gaan naar "El Palacio de la Papa
Frita - Het Frietpaleis" in de Calle
Lavalle, op 10 minuten lopen van ons huis.
Hoewel ik in welk ander land dan ook met
een grote boog om een restaurant met een
dergelijke naam heen zou lopen, kan ik er
in Buenos Aires beslist niet omheen. In
de biografie vertelt zijn dochter Diana
"mijn vader kon absoluut niet met geld
omgaan. Zelfs als er geen geld was, trok
hij zich daar niets van aan. Op zaterdagmiddag
gingen we vaak lunchen bij het "Palacio
de la Papa Frita" aten daar dan zijn
favoriete "papas fritas infladas -
opgeblazen frieten" om daarna naar
twee of drie bioscopen achter elkaar te
gaan." Naar dat paleis zijn wij onderweg.
"El Palacio" bestaat uit een lange
diepe eetzaal. Aan de muren hangen wapenschilden
van de Argentijnse provincies en de buurlanden.
De sfeer is gemoedelijk, de bediening is
Argentijns gastvrij, er wordt alles gedaan
om het de gasten naar de zin te maken. Zelfs
als je, zoals wij, de goekope dagschotel
van gegrilld vlees met "papas souflée"
bestelt. Voor de zekerheid vraag ik de ober
of de "papa soufléé"
hetzelfde is als de "papa frita inflada"
en vertel hem dat ik heb gelezen dat Piazzolla
dit hier met zijn kinderen kwam eten. "Ah,
dat boek over Piazzolla" zegt hij "daar
hebben wij bij de bar een krantenartikel
over hangen." Ik word meegetroond,
aan de collega's wordt trots uitgelegd dat
"El Palacio zelfs in Engeland een begrip
is."
Al etend speculeren wij hoe de frieten
worden opgeblazen, tenslotte vraag ik de
ober naar het geheim. Hij begint een verhaal
over bakken in twee soorten olie, maar ziet
dat het vraagteken op mijn gezicht blijft
staan. "Wil je zien hoe het gaat? vraagt
hij. Natuurlijk wil ik dat zien. Een minuut
of vijf later mag ik mee naar de smoorhete
keuken. Vicente, de chef-kok, doet voor
hoe je "papas infladas" moet bereiden.
Men neme een aardappel, snijdt die over
de lengte in schijfjes. "Met breedteschijfjes
lukt het niet!" waarschuwt hij. De
ovale schijfjes worden net zoals gewone
friet gebakken om ze daarna kort in een
andere pan met superhete olie te dompelen.
Daar schrikken de frieten zo van, dat ze
zichzelf opblazen. Een kind kan de was doen.
Biografieën zijn niet echt mijn favoriete
genre, maar deze is leuk. Tot nu toe heb
ik pas ongeveer 90 van de bijna 300 bladzijden
gelezen. Wordt dus zeer waarschijnlijk vervolgd.
|